weekverhaal week 24

Warm

De zon staat al hoog aan de hemel. Terwijl het nog vroeg is. Een zachte warme wind danst door de straten. Kinderen in  rokken en korte broeken lopen naar buiten. Jassen blijven thuis. Op school staan de ramen open. Uit een van de ramen leunt Guus. Hij praat met een meneer. Ze kijken naar de boom voor de klas. Guus is bezorgd. Onder de boom liggen verdroogde bladeren. Dat is veel te vroeg. Ze moeten eerst nog de zomer langs de takken laten glijden. Dan pas maken ze met zijn allen een deken van herfstkleuren. Waaronder de aarde kan slapen een winter lang. Maar nu is nog nauwelijks zomer. Dus veel te vroeg. Guus heeft een dokter gebeld. Een dokter voor bomen. ‘Maakt u zich maar geen zorgen. De boom is niet ziek.’
‘Moet u niet eerst luisteren,’ vraagt Guus. ‘Met zo'n luister­ding. Wat je met slangetjes in de oren stopt. Daarmee kun je het zuchten horen.’
‘Bij bomen hoef je niet te luisteren. Kijken is ge­noeg,’ zegt de dokter. ‘Het was een strenge winter, daarom is de boom nog een beetje ziek. Maar het komt allemaal goed.’
‘Dank u wel dokter. Ik zal het de kinderen vertellen.’
Als Guus zich omdraait komen de eerste kinderen al naar binnen. ‘De boom  wordt beter. Maar voorlopig kunnen de bladeren de zonnestralen niet afkoelen. Die zijn nog niet groot genoeg. Daarom gordijnen sluiten. Dat helpt.’
'Hier wordt de boom zeker beter van.' Kevin bladert in het boek van de boom. Hij zoekt een verhaal uit. Guus maakt de gordijnen nog niet dicht. Voor het open raam leest hij het verhaal voor.

Al drinkt aan en flesje met limonade. 'O, wat heb ik dorst. Heb jij geen dorst Leen.' 'Nee, ik heb dadelijk dorst.'
'Hoe weet je dat?'
'Omdat het warm is.'
Al wijst naar de boom. 'Kijk, daar staat Lief.'
Ze lopen naar haar toe. Lief heeft  een pakje drinken in de hand. 'Hier bij de boom is het koel.'
'Dan heb je ook geen dorst,' zegt Leen.
Lief zuigt aan een rietje. 'Nee, maar ik vind limonade lekker.'
Leen lacht. 'Nu krijg ik ook dorst.'
'Ik heb nog een pakje drinken.' Ze geeft Leen een pakje.
Al kijkt naar de boom. 'Heeft de boom ook dorst?'
'Natuurlijk,' zegt Leen. 'De boom drinkt nu ook.'
“Hoe dan?'
'Met de wortels in de grond.' Leen steekt het rietje in het pakje.
'Zo doet de boom dat ook,' zegt Lief. 'De wortels zijn de rietjes.'
Leen zuigt aan het rietje. 'Ik ben een boom.'
Lief steekt het rietje ook in haar mond. Ze slurpt hard. 'En ik ben een wortel.'
Al springt op haar rug. 'Dan ben je een boom. Ik klim op je.'
Lief verslikt zich. Ze hoest. 'Pas op Al, je maakt de boom ziek,' roept Leen.
'Dan spring ik uit de boom.'
Lief draait zich om. Ze doet net of ze met het pakje spuit. Al maakt zijn mond open. Maar Lief spuit niet. 'Ik vind limonade veel te lekker.'
Dan spuit ze tegen de boom. 'Wel een slokje voor de boom. Al en Leen lachen. Ook zij geven de boom een slokje.

Kevin legt het boek weer op het bureau. 'Weet je wat we ook kunnen doen,' zegt Lesley. ‘We kunnen ook naar buiten gaan. In de schaduw van de school. Daar is het lekker koel.’
‘Jongens en ...meisjes. Lesley heeft net een uitvinding gedaan. Hij heeft de schaduw uitgevonden.’ De kinderen lachen. ‘Vanmid­dag zal hij ons zijn uitvinding laten zien.
Lesley wil wat zeggen. ‘Nee Lesley, vanmiddag ben jij aan de beurt. Nu ik.’
De gordijnen gaan dicht. Guus stroopt de mouwen van zijn hemd op. ‘Zolang het koel is kunnen wij hard werken.’
‘Wat doen we als het warm wordt?’ vraagt Deniz.
‘Dan gaan we naar de uitvinding van Lesley.’
Als de zon heel hoog aan de hemel staat, gaan de kinderen naar huis. Na een uurtje komen ze weer terug. De uitvinding van Lesley is een eind opgeschoven. De speelplaats baadt helemaal in de zon. De schaduw luiert aan de andere kant van de school. Op het grasveld waar de boom staat. Guus maakt de gordijnen open. Maar de warmte blijft binnen. Ze gaan naar buiten. Spelen buiten hoe warm het ook is. Guus doet mee. Hij rent achter de bal aan. Zweetdruppels maken van zijn hoofd een douchekop. Zijn hemd is zo nat alsof het net uit de wasmachine komt. Deniz, Arthur, maar ook Joyce maken punt na punt. Het groepje kinderen waar Guus bij speelt heeft niet zoveel punten.  Hij rent steeds harder en wordt steeds natter. Maar het helpt niet. De kinderen krijgen dorst. Ze willen naar binnen om te drinken.
Guus zegt: ‘Nog even doorgaan. Er is nog niet genoeg  water in de kraan.’
Maar eigenlijk wilt hij nog punten maken. Opeens een klap. Guus ligt languit op de speelplaats. Arthur staat naast hem.
‘Dit is pootje lappen,’ roept Guus. ‘Zo kunnen wij nooit winnen!’
De kinderen willen lachen, maar ook weer niet. Guus kijkt naar zijn knie. De broek is niet kapot, maar wel is zijn knie geschaafd.
‘Wees maar blij dat mijn broek niet kapot is. Anders had ik je teruggelapt.’
Niemand zegt wat. Rob komt dichterbij. ‘Rob houd je mond!’
‘Ik heb nog niets gezegd.’  
‘Goed zo. Niets zeggen.’
‘Maar ik heb al wat gezegd. Niets.’
Guus krabbelt overeind. ‘Ik heb dorst. Jullie ook?’ De kinderen zeggen niets. Ze hollen heel hard naar de kleedkamer. Guus blijft alleen achter met zijn zweetdruppels.
‘Laat ook wat water voor mij in de kraan!’
Rob staat bij de deur. ‘Als je een grote jongen bent en niet meer zeurt over een zere knie, dan mag je ook drinken.’
Guus begint te hollen. Rob vlucht naar binnen. Bij de kranen spettert water in het rond.
Guus schreeu­wt er bovenuit: ‘Pas op, mijn zweetdruppels ver-drinken.’ Hij lacht weer.
Rob gooit een handvol water naar hem toe: ‘Meester, wat ben je een grote jongen.